Een woordje over onze geschiedenis
door onze ere-voorzitter Pierre Van Obbergen (1988-2003).
GESCHIEDENIS
”In 1869 werd , het nu nog bestaande Sint-Ceciliakoor, opgericht in Huldenberg. Deze stond onder deskundige leiding van een zeer bekwaam musicus-orgelist: koster Henri De Raymaeker. Deze overleed in 1931. Het is uit een tak van deze koorzangers dat “De Ware Vrienden” is ontstaan.
Reeds van toen hij nog kwam vrijen in Huldenberg met Sylvie Vander Elst, zijn toekomende echtgenote, zette de Leuvenaar Remy Lahaye zich in om een onafhankelijke fanfare te stichten. Een man in de volle kracht van een jeugdig enthousiasme, geboren te Leuven de 20ste Mei 1876. Hij was dus 16 jaar toen de fanfare werd gesticht. Dit was onder impuls van de Heer Stroobants en de toen toekomende schoonvader van Remy Lahaye. Beide heren zaten toen ook in de gemeentepolitiek” (1)
”Zonder aarzelen zetten zij zich aan ‘t werk en reeds de 13de november 1892 staken zij definitief van wal met een eerste repetitie onder de leiding van Leon Nicodème aan wie de maatschappij in haar eerste schoentjes toevertrouwd werd. Hier dient vermeld dat deze bestuurder door zijn muzikaal talent, door onverpoosde arbeid en een flinke technische drilling de HARMONIE tot een zeker peil heeft weten op te voeren, zodat ze na ettelijke maanden de toets der degelijkheid mocht doorstaan.
Die eerste vergadering werd bijgewoond door bovengenoemde heren en een twintigtal leden van het toen sinds jaren bestaande zangkoor zich als doel stellende het beoefenen en ontwikkelen van muziek- en toneelkunst. De benaming: “DE WARE VRIENDEN” werd toen gekozen door het voorlopig samengestelde bestuur dat definitief werd herkozen op 3 december 1892.
In 1893, de 18 juli, dus de zomer daarop, namen zij deel aan het festival der Verenigde Turfboeren van Terlanen, een maand later aan de Vlaamse Kermis te Leuven, en de 6de oogst 1893, aan een festival te Tervuren.
Samenhorigheid, verbondenheid, gemeenschapszin en solidariteit vormden de basisdeugden van “De Ware Vrienden” zij stuwden hun maatschappij naar bloeiende praktische vorming en vooruitgang.
In ‘t jaar 1895, waren de leden niet langer meer tevreden met hun vaandel en wilden zij ook een standaard (**) hebben. Deze werd ingehuldigd op 21 juli 1895.” (2)
In 1914, daags voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog noteerden wij 38 werkende leden en 71 ereleden. De werkende leden betaalden toen 2,25 Fr. per jaar en de ereleden respectievelijk 6 Fr. en 12 Fr.
Tijdens de oorlogsjaren 14-18 werd een tekort in de kas vastgesteld van 64,45 Fr. dat prompt werd bijgepast door de toenmalige voorzitter en ondervoorzitter.
De periode tussen beide wereldoorlogen kende een grote bloei van de fanfare: ieder jaar werd afgesloten met een batig saldo. In l939 bedroeg het jaargeld van de leden nog 1.377 Bef.. Het was echter niet mogelijk om terug te vinden hoeveel leden dit vertegenwoordigde.
”Tijdens de oorlogsjaren bleef de fanfare inactief op enkele toneelopvoeringen na: “het was ook de tijd dat de fameuze Potpourri werd in elkaar gestoken en aangeleerd zittend op ijzeren stoelen die in de kelder aan de kapstokken hingen terwijl boven de Duitsers razzia’s uitvoerden. Charel Vandendael (de “rosse”+)en zijn broer trokken toen huiswaarts door de Ijse wadend vanachter de Mariakring tot bij hen thuis.
Onvergetelijke tijden “. (1)
Na de oorlog hervatte de fanfare haar activiteiten: niet alleen volgden de jaarlijkse concerten en optredens mekaar op maar er kwamen ook toneelopvoeringen o.l.v. Hilaire Verdoodt. Daaruit groeide stilaan de toneelkring “De Schakel die gedurende vele jaren succes oogstte in de streek.
De wortels van de fanfare zijn te zoeken in de alom bekende “Casino” op het Gemeenteplein, een gebouw dat reeds op de oudste gemeentekaarten aangeduid staat en dat, op zichzelf, heel wat geschiedenis achter de rug heeft. Het is binnen deze muren dat onze fanfare werd geboren, dat de beslissingen werden genomen en de wekelijkse repetities werden (en nog worden) gehouden. Er werden daar ook toneelstukken opgevoerd in omstandigheden die alle verbeelding te boven gaan: de “souffleurbak” werd op het toneel geplaatst en hiervoor werd een luik opengemaakt dat verbinding gaf met de onderliggende ruimte (huidige garage). In het vrijgekomen gat werd een ladder geplaatst en de “souffleur” nam hierop derwijze plaats dat hij met zijn hoofd juist in de souffleursbak kon. Hoelang hij het op die sporten kon uithouden en in welke mate hij er niet afvloog van de tocht wordt nergens vermeld!
Een andere plezante uitvinding was “de kooi” (of volière) die gebruikt werd tijdens de bals. Het gaat hier om een kleine ruimte, vooraan afgesloten met een soort kippedraad die boven de tap van de zaal was ingebouwd. Voor de opening van het bal werden de muzikanten, langs een ladder, in deze kooi gelaten. Veel bewegingsvrijheid hadden zij niet: zij moesten musiceren in een ruimte van 2m2 en amper l,5m hoog, in de hitte, de rook- en de drankgeur. Gedurende uitvoering zaten zij gevangen in hun kooi want de ladder was weggenomen en zij konden het publiek slechts aanschouwen vanachter de draad!
Jaren geleden werden de muzikanten vervangen door echte vogels maar zij hielden het er niet zo lang uit! De vogelkooi is nu nog altijd zichtbaar
Indien het lokaal niet meer beantwoordt aan de moderne vereisten van een feestzaal is het toch misschien een geluk te noemen dat er niet veel aan veranderd is in de voorbije 115 jaar en dat het ons nog een idee geeft van de omstandigheden waarin onze voorgangers hebben gewerkt.
De laatste 40 jaar werd er ook aan de kledij van de muzikanten gewerkt: oorspronkelijk een blauwe vest met het embleem van de fanfare, een grijze broek en een grijs hoedje. Hierin kwam verandering met het oog op de viering van het 100-jarig bestaan van de fanfare in 1992. Nu werd het een bordeaux vest met bestaande embleem, een grijze broek met rode streep en een grijze das. Opmerkelijk was de intrede van het vrouwelijk gezelschap: eerst door stichting van een majorettenkorps en, daarna, door incorporatie in de fanfare als volwaardige muzikanten. Bij de dames vielen vooral de dwarsfluit, de saxofoon en de klarinet in trek zodat het nu een volwaardige harmonie werd. Hoopgevend is de komst van jeugdige muzikanten die de fakkel moeten overnemen van hun voorgangers en dit met evenveel enthousiasme.
P. Van Obbergen
Bronnen:
(1) Memoires — Enkele nabeschouwingen door Hilaire Verdoodt (+)
(2) Guldenboek — Programma “Groot Muziekfestival” naar aanleiding van het 75—jarig bestaan van de fanfare in 1967.
(**) Deze “standaard” of groepsvaandel zou, in 1952, geschonken geweest zijn aan graaf Thierry de Limburg Stirum ter gelegenheid van het 60 jarig bestaan van de fanfare. Het bleef gedurende 37 jaar op de zolder liggen van het kasteel in Huldenberg. Dank zij een tip van René Veiller (“Vlek”+), kon ondergetekende dit vaandel daar terugvinden, aangevreten door de “tand des tijds”. Inmiddels werd het keurig gerestaureerd.
VOORZITTERS
1892-1942: Alfred STROOBANTS
1942-1949: Remy LAHAYE
1949-1972: Eugène STEENO
1972-1977: Georges VANDERLINDEN
1977-1987: Marcel VANDERLINDEN
1988-2003 :Pierre VAN OBBERGEN
2003-2008: Jean-Pierre STERCKX
2008: Urbain SCHERPEREEL
<!--[if !supportLineBreakNewLine]-->
<!--[endif]-->
DIRIGENTEN
1892-1946: Leon NICODEME
1946-1965: Frans TEUGELS
1965-1968: J. DE MEY
1968-1981: Jos AERTGEERTS
1981: Luc VANDERMOSTEN


